Categories

Archive

Disclaimer

De meningen ge-uit door medewerkers en studenten van de TU Delft en de commentaren die zijn gegeven reflecteren niet perse de mening(en) van de TU Delft. De TU Delft is dan ook niet verantwoordelijk voor de inhoud van hetgeen op de TU Delft weblogs zichtbaar is. Wel vindt de TU Delft het belangrijk - en ook waarde toevoegend - dat medewerkers en studenten op deze, door de TU Delft gefaciliteerde, omgeving hun mening kunnen geven.

Posts by Michel van Baal

Verlammende grenscontroles zijn niet nodig

 

Prof. Yao-Hua Tan is hoogleraar Informatie- en Communicatietechnologie aan de TU Delft.  Dit opinieartikel is ontleend uit zijn intreerede van vrijdag 29 april "Technieken voor Verantwoord Vertrouwen"

Internationale vrijhandel, binnen en buiten de EU, is de kern van onze wereldeconomie en er wordt vaak hoog opgegeven van de maatregelen om die vrijhandel verder te bevorderen. De praktijk is echter heel anders: grenscontroles zijn de laatste tijd enorm verzwaard, enerzijds door anti-terrorisme-maatregelen en anderzijds door het groeiende bewustzijn over voedselveiligheid. Vooral handelsland Nederland kost dat erg veel geld. Het goed inzetten van ICT kan die kosten enorm drukken, zonder de veiligheid onder druk te zetten.

Papierwerk
Bij grenscontroles gaat het om fysieke inspecties, maar vooral ook om papierwerk. Gemiddeld moet een exporterend bedrijf 30 documenten sturen naar allerlei overheidsinstanties voor de export van 1 container. Per jaar gaan er meer dan 10 miljoen containers door de Rotterdamse Haven, dus dat telt op. Dat kost wereldwijd honderden miljarden dollars per jaar.
Voor de Nederlandse overheid vormen die controles een dilemma. Veiligheid is van groot belang, maar als andere Europese landen minder hoge eisen stellen aan hun grenscontroles, dan zou een fors deel van de Nederlandse handelsstroom wel eens kunnen verschuiven naar andere landen.

Electronisch Container Zegel
Als we de veiligheid willen waarborgen, maar onze strategische positie als handelsnatie willen waarborgen, dan kan ICT innovatie daarbij helpen. In dit geval is de oplossing een elektronisch container zegel (ECZ), waarmee een zeecontainer kan worden uitgerust. De ECZ is een soort combinatie van een GPS en een mobiele telefoon, en verzendt informatie over precieze locatie zodat bekend is waar de container is. Daarnaast kan de het apparaat de Douane via een internetverbinding direct toegang geven tot relevante informatie in de bedrijfsinformatiesystemen van de eigenaar van de goederen in de container, en van de vervoerder. Alle informatie over de inhoud zit in de praktijk al in ERP-systemen van deze bedrijven, die dat voor hun eigen beheer goed moeten bijhouden. Nu moeten ze die informatie handmatig overbrengen op formulieren naar de overheid. Dat is eigenlijk onnodig en geeft een grote kans op fouten.

Tijdrovende inspecties
Grenscontroles worden enorm eenvoudig als bedrijven de douane directe toegang geven tot deze informatie. De douane kan snel, bijvoorbeeld op een laptop of smart phone, zien wat er in containers zit en waar de container op  reis is geweest. Het toezicht kan dan worden verlegd van tijdrovende inspecties van containers naar toezicht op betrouwbare en zorgvuldige bedrijfsinformatiesystemen. Dat is een taak die van nature door de overheid al wordt gedekt, met het oog op belastingheffing en accountancyverklaringen.
De winst: 30 formulieren per zeecontainer minder, maar vooral veel snellere wereldhandel, vele miljarden kostenbesparingen.

Onderling vertrouwen
Voor het systeem is wel enig onderling vertrouwen nodig tussen de overheid en het bedrijfsleven. Het is te vergelijken met de green lane behandeling op luchthavens. Daar geeft de passagier zelf aan of hij iets aan te geven heeft of niet. Voor goederen kan dat ook. De douane blijft natuurlijk steekproefsgewijs controleren, door de inhoud van containers te vergelijken met bedrijfsinformatie. Frauderen voor een bedrijf wordt dan erg onaantrekkelijk, omdat het geknoei vereist met primaire bedrijfsinformatie. Bovendien, als het niet klopt heeft een bedrijf niet alleen een probleem met de douane, maar ook met bijvoorbeeld de belastingdienst.

Politieke wil
De technologie hiervoor ligt op de plank en de voordelen zijn duidelijk.  De echte uitdaging is internationale politieke samenwerking. We praten hier over complexe politieke onderhandelingen tussen diverse handelspartners, de Europese Commissie, de Wereld Douane Organisaties, de Verenigde Naties en de Wereld Handels Organisatie.  Zoals bij elke grote ICT-innovatie is maar 20% techniek, de rest is politieke wil.

Lang studeren? Daar moeten wij toch wat langer op studeren

Dit opinieartikel verscheen op vrijdag 21 januari in NRC Handelsblad 

‘Den Haag’ is in de drukdrukdruk-stand. De bordjes van de nieuwe bewindslieden liggen vol. De 18 miljard euro aan bezuinigingen moeten worden ingevuld. Bij te lang wachten kan men in verlopend tij verzeilen. Snel werken is geboden. Alles moet voor de zomer de ministeries uit en de Kamer in.

‘Haastige spoed is zelden goed’ is een Nederlands devies. Het zou bij dit kabinet in goede aarde moeten vallen. Hebt u weleens geprobeerd met een hamer een schroef in een plank te slaan, omdat een schroevendraaier pakken te lang duurt? Zo zal het ook de langstudeerders vergaan. Een bezuiniging is het verkeerde gereedschap om langstuderen tegen te gaan, is omslachtig en onduidelijk en kent ongewenste effecten. Wat is bijvoorbeeld de logica van het beboeten van een instelling wanneer deze voldoet aan de wettelijke plicht om onderwijs en examens aan te bieden aan collegegeld betalende studenten?

Is het nu echt de bedoeling de opleidingen in de bèta- en techniekvakken minder aantrekkelijk te maken door het risico op hogere studielasten te vergroten? Een extra jaar voor een eenjarige master is een beter aanbod dan een extra jaar voor een tweejarige master, zoals bij bèta en techniek, en dat tegen de achtergrond dat de studielast voor bèta en techniek een behoorlijk
stuk hoger ligt. Geef dan tenminste voor bèta en techniek twee jaar ruimte, voor de bachelor- en masterfase tezamen.

Jarenlang zijn we al bezig om jonge mensen te interesseren voor een opleiding in bèta en techniek. Wij hebben hen nodig om ons bedrijfsleven innovatief en concurrerend te houden. Verlies niet uit het oog dat in andere delen van de wereld, Azië voorop, wetenschappelijk onderzoek in volle gang is en een zeer concurrerend bedrijfsleven ontstaat. Denk eens over de zorg voor onze nationale waterstaat. Zou het niet goed zijn als straks tussen al die ingenieurs uit China en India ook nog wat Nederlanders zitten?

Het kabinet gaat snel – een beetje te snel. Wij op de universiteiten snappen ook wel dat de bezuiniging van 18 miljard euro een politieke afspraak is en dat alle sectoren een steentje moeten bijdragen. Dit kabinet wil bezuinigen, wil maatregelen nemen tegen langstuderen en wil ook het hoger onderwijs een kwaliteitsimpuls geven, zoals aanbevolen door de commissie-Veerman, maar het is een veel beter idee om over deze drie onderwerpen in samenhang te beslissen en niet zoals het nu lijkt te gebeuren.

Het is toch de bedoeling dat de opbrengst van de bezuinigingen in het hoger onderwijs opnieuw in die sector wordt geïnvesteerd? Waarom dan die U-bocht van eerst weghalen en dan weer uitdelen? Afbraak gaat snel, opbouw duurt lang. Is het niet veel slimmer om het langstuderen in te passen in een geheel van maatregelen rond toelating, studiebegeleiding, profilering opleidingen, vertrekadvies en prijsdifferentiatie? Dat zijn onderwerpen die bij de uitwerking van ‘Veerman’ aan de orde moeten komen.

Houd het dus bij elkaar. Probeer niet eerst een bezuiniging in te vullen die ook nog eens ten nadele is van bèta en techniek. Haast u langzaam. Pak de bezuiniging, de herinvestering en het langstuderen aan op basis van een doordachte uitwerking van het rapport van Veerman. Als je op de universiteiten wilt bezuinigen, laat dan ten minste de universiteiten zelf bepalen hoe ze dat met zo min mogelijk schade kunnen doen.

Dirk Jan van den Berg is collegevoorzitter van de TU Delft.

Pas op voor ongewenste effecten langstudeerdersregeling

Dit opiniestuk is geschreven door Paul Rullmann, Collegelid van de TU Delft, en Anka Mulder, directeur onderwijs & studentenzaken.  

De regering gaat met financiële middelen paal en perk stellen aan de studieduur. Het is de vraag of langstudeerders nu echt zo duur zijn. Maar als deze regering dit beleid doorvoert –en daar ziet het naar uit – dan is het belangrijk om dat zo te organiseren dat er geen ongewenste bijeffecten ontstaan. Hieronder drie van die mogelijke bijeffecten op een rijtje. 

1. Hoge drempel voor bèta’s.
De regeling dat een student na 1 jaar studievertraging 4800 euro collegegeld gaat betalen (regulier 1800) zal een drempel opwerpen voor vooral technische studies. Die worden door scholieren vaak als moeilijk gezien, en dat is ook terecht: de gemiddelde studieduur in Delft is de op een na hoogste van Nederland en dat komt voor een belangrijk deel door de zwaarte van de studie.

Daarbij: alle studies in Delft duren vijf jaar – drie jaar BSC en twee jaar MSc – in tegenstelling tot vier bij reguliere studies. Een jaar vertraging is dan sneller opgelopen.
De aankomende student heeft de keus tussen een moeilijkere, langere studie in Delft of een kortere, eenvoudigere bij een reguliere universiteit. Dat vraagt wel erg veel motivatie, zeker als je weet dat switchen eigenlijk niet meer kan in dit nieuwe systeem.
Nederland heeft de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in het enthousiasmeren van studenten voor technische studies (platform bètatechniek, Jetnet, Stichting Techniek Promotie e.d.). Door deze hoge boetekans wordt dat werk weer teniet gedaan.
 

2. De kwaliteit onder druk
De kwaliteit van studies in Delft is goed, en het niveau hoog. We durven veel van onze studenten te vragen. Maar kan dat nog in de toekomst? De top 20% zal geen problemen ondervinden, maar je wilt als universiteit dat ook de groep eronder het diploma haalt. Het hele curriculum doorlopen met minder dan een jaar vertraging lukt deze groep niet. Let wel: het gaat om 80% van onze studenten. Daarvoor is vooral meer begeleiding nodig, en dus meer personeel. Het is duidelijk dat dat bij deze bezuinigingen niet kan. Dat zet druk op de hoge kwaliteit die we nastreven. 

3. Ruimte voor ontplooiing
Delftse studenten blijken goed in het ontwikkelen van activiteiten naast de studie. Talrijke studenten zijn betrokken bij projecten zoals de zonneauto Nuna, of zetten succesvol bedrijven op. Het slipperproject Plakkies is een prachtvoorbeeld. Zulke bijzaken zijn voor een ingenieur-in-opleiding heel belangrijk. De natuurwetten kun je in een collegezaal leren, maar dat toepassen in de weerbarstige praktijk met andere mensen is voor velen het moment dat technologie pas echt gaat leven. Ingenieurs die slimme oplossingen verzinnen zijn belangrijk, maar we hebben ook ingenieurs nodig die met die slimme oplossingen anderen kunnen inspireren, die collega’s en andere disciplines enthousiast kunnen krijgen en meeslepen. De arbeidsmarkt is duidelijk: studenten die naast hun studie andere initiatieven hebben ontplooid hebben een stevig streepje voor. Dergelijke initiatieven moeten ook in het nieuwe systeem ruimte blijven krijgen. 

Overigens: omdat ook de universiteit een ‘boete’ krijgt voor langstudeerders, moet de universiteit bij ongewijzigd beleid rekening houden met een korting van 10 miljoen euro. Doordat de TU een groot percentage langstudeerders heeft, zou de regeling de TU Delft naar verhouding hard raken. Dat is zorgelijk, omdat ook de invoering van het Bachelor-Master systeem al onevenredige negatieve consequenties voor de TU had, net als de afschaffing van de financiering van non-EU studenten en de overheveling van 100 miljoen van de vaste rijksbijdrage naar NWO. Daar komt bij dat de Technische Universiteiten veel onderzoek financieren uit de ‘aardgasbaten’ en innovatiesubsidies. Ook die bronnen zullen grotendeels verdwijnen, heeft de regering aangekondigd. Deze opeenstapeling van negatieve financiële gevolgen die vooral de technische universiteiten treft, zet onze universiteit onder financiële druk.  

De komende tijd heeft iedereen een opdracht: studenten, docenten, decanen, college van bestuur. De universiteit moet nog meer werk maken van de ‘studeerbaarheid’ van opleidingen. Daar is al veel gebeurd de afgelopen jaren maar het kan beter. Zeker in de eerste studiejaren moet er meer structuur worden geboden. Studenten moeten zich inzetten vanaf dag 1. Opleidingen moeten zo zijn opgezet, dat studenten in staat zijn om een achterstand tijdig in te halen. De universiteit moet kijken of sommige ontplooiingsactiviteiten in het curriculum gehaald kunnen worden.  

Wij denken dat ook de regering een opdracht heeft, namelijk om een invulling te vinden die studeren haalbaar houdt en die moeilijke bètastudies juist aantrekkelijker maakt. Niet onaantrekkelijker. Daarnaast moet de regering de universiteit de middelen geven om bepaalde ontplooiingsactiviteiten te stimuleren, bijvoorbeeld een project zoals Plakkies, zonder dat de student daar aan het eind een gepeperde rekening voor betaald. 

En de student, die kan nog best een beetje harder studeren. Maar het zou onrechtvaardig en onverantwoord zijn om de rekening van deze bezuiniging EN de verantwoordelijkheid voor de Nederlandse kenniseconomie op zijn of haar schouders te laden.  

Paul Rullmann en Anka Mulder

Over dit onderwerp verscheen in NRC eerder al een opiniestuk van Rob Mudde, onderwijsdirecteur van de faculteit Technische Natuurwetenschappen. Deze is hier terug te lezen.

Jacco Hoekstra, decaan van de faculteit Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek schreef een opiniestuk over de kosten van langstudeerders op de website van de faculteit. Dit stuk is hier te lezen.

 

Laat het probleem van langstudeerders aan de universiteiten

Dit opiniestuk verscheen op 1 december in NRC Handelsblad. De auteur,  Prof.dr. Rob Mudde is directeur onderwijs op de faculteit technische natuurwetenschappen aan de TU Delft.   

Het onderwijs verkeert in zwaar weer. Enerzijds zijn er de niet aflatende financiële druk en de vloed aan veranderingen die vanuit Den Haag over het onderwijs worden uitgestort. Anderzijds is er een aanhoudende stroom van malversaties en onderpresteren die, vaak terecht, de landelijke pers haalt. De kritiek richt zich op InHolland. Leo Prick constateert dat sjoemelen en frauderen inmiddels is doorgesijpeld naar de werkvloer en geeft daar een serie voorbeelden van (NRC Opinie & Debat, 27 november).
Hij beweert dat docenten het moeilijk hebben om hoge eisen te stellen aan studenten, omdat dat leidt tot studievertraging, met nare, financiële gevolgen. Bovendien, stelt hij, ,,een tentamen over laten doen, bezorgt je ook nog eens extra werk". Docenten nemen uit moedeloosheid of gemakzucht genoegen met werkstukken onder de maat.
Deze aantijgingen herken ik in het geheel niet. Integendeel, veel van mijn collega’s zijn juist zeer betrokken bij onze studenten.  

Gisteren brak Karl Dittrich een lans voor langstudeerders, die te hard zouden worden aangepakt als de kabinetsplannen doorgaan (opiniepagina, 29 november). Ook dat herken ik nauwelijks. Dittrich heeft een punt als hij wijst op het nut van brede ontplooiing. Bestuurswerk van de grote studenten- en studieverenigingen neemt een jaar in beslag, een nuttig besteed jaar.
Maar het percentage studenten dat dit doet is klein.
 Het grootste deel van de studenten kan best een tandje sneller studeren.

Dat ligt voor een groot deel aan de vrijblijvendheid die in ons stelsel gebakken zit. Als een student het vereiste aantal studiepunten in het eerste jaar heeft gehaald, is er geen barrière meer: elke student kan dan zo lang blijven als hij wil.  Dat is geen goede zaak. Het zou veel beter zijn als de opleidingen elk jaar voortgang mogen eisen. Of, beter nog: dat ze aansluiting op de masterfase mogen weigeren bij onvoldoende prestaties. Alleen al zo’n dreigement zal wonderen doen.

Dat is veel beter dan boetes voor universiteiten of het laten betalen van de eigen masteropleiding door studenten.  Het is mij een raadsel waarom we accepteren dat mensen in de hele maatschappij prestaties moeten leveren in een vastgesteld tijdvak, behalve onze studerende elite. Natuurlijk horen grote projecten als deelname aan de zonneautorace in Australië bij een brede ontplooiing, maar wat mij betreft stuwen we het niveau van ons onderwijs pas op door echte eisen te stellen. Dat motiveert zowel student als docent. Ik ken geen collega’s die geen tijd vrijmaken voor gemotiveerde studenten. Ik ken geen gemotiveerde studenten die een slap tentamen of een halve opdracht appreciëren.  

Ik stel voor dat het kabinet de boete op lang studeren schrapt, maar dat voortaan elke student elk jaar ten minste driekwart van het aantal studiepunten moet halen. Zo niet, dan is het einde oefening. Dan is elke universitaire bachelorstudent binnen vier jaar klaar. Verder stel ik voor dat de automatische doorstroom naar de masterfase verleden tijd is. Daar komen minimumeisen op te staan. Voor serieuze nevenactiviteiten kan elke universiteit een regeling maken. Bestuursleden van grote studenten- en studieverenigingen kunnen bijvoorbeeld voor een jaar worden vrijgesteld van de onderwijsverplichtingen.  

Ten slotte stel ik een aanwezigheidsplicht voor in het eerste jaar van de bacheloropleidingen. Te vaak zie ik studenten met een onrealistisch beeld van hun eigen doen en laten. Met een aanwezigheidsplicht kunnen we de geschiktheid van een student voor een studie beter beoordelen en voorkomen we ongelukken.  Bovenstaande maatregelen zullen leiden tot versnelling van de studie en verhoging van het niveau.  

De problemen van de schatkist oplossen door langstudeerders te laten betalen, is een oneigenlijke maatregel. Wel dienen we het principe van wederkerigheid toe te passen: studenten krijgen een beurs en hoeven niet veel collegegeld te betalen, en als tegenprestatie studeren ze serieus en op tempo. Ze hebben dan recht op goed, nee, uitstekend onderwijs. Als dat rammelt, hebben we de Inspectie van het Onderwijs om te dreigen met maatregelen. En dan zijn er altijd nog de Leo Pricks om dit aan de orde te stellen.  

Rob Mudde

© 2011 TU Delft