Categories

Archive

Disclaimer

De meningen ge-uit door medewerkers en studenten van de TU Delft en de commentaren die zijn gegeven reflecteren niet perse de mening(en) van de TU Delft. De TU Delft is dan ook niet verantwoordelijk voor de inhoud van hetgeen op de TU Delft weblogs zichtbaar is. Wel vindt de TU Delft het belangrijk - en ook waarde toevoegend - dat medewerkers en studenten op deze, door de TU Delft gefaciliteerde, omgeving hun mening kunnen geven.

Posted in 2010

Pas op voor ongewenste effecten langstudeerdersregeling

Dit opiniestuk is geschreven door Paul Rullmann, Collegelid van de TU Delft, en Anka Mulder, directeur onderwijs & studentenzaken.  

De regering gaat met financiële middelen paal en perk stellen aan de studieduur. Het is de vraag of langstudeerders nu echt zo duur zijn. Maar als deze regering dit beleid doorvoert –en daar ziet het naar uit – dan is het belangrijk om dat zo te organiseren dat er geen ongewenste bijeffecten ontstaan. Hieronder drie van die mogelijke bijeffecten op een rijtje. 

1. Hoge drempel voor bèta’s.
De regeling dat een student na 1 jaar studievertraging 4800 euro collegegeld gaat betalen (regulier 1800) zal een drempel opwerpen voor vooral technische studies. Die worden door scholieren vaak als moeilijk gezien, en dat is ook terecht: de gemiddelde studieduur in Delft is de op een na hoogste van Nederland en dat komt voor een belangrijk deel door de zwaarte van de studie.

Daarbij: alle studies in Delft duren vijf jaar – drie jaar BSC en twee jaar MSc – in tegenstelling tot vier bij reguliere studies. Een jaar vertraging is dan sneller opgelopen.
De aankomende student heeft de keus tussen een moeilijkere, langere studie in Delft of een kortere, eenvoudigere bij een reguliere universiteit. Dat vraagt wel erg veel motivatie, zeker als je weet dat switchen eigenlijk niet meer kan in dit nieuwe systeem.
Nederland heeft de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in het enthousiasmeren van studenten voor technische studies (platform bètatechniek, Jetnet, Stichting Techniek Promotie e.d.). Door deze hoge boetekans wordt dat werk weer teniet gedaan.
 

2. De kwaliteit onder druk
De kwaliteit van studies in Delft is goed, en het niveau hoog. We durven veel van onze studenten te vragen. Maar kan dat nog in de toekomst? De top 20% zal geen problemen ondervinden, maar je wilt als universiteit dat ook de groep eronder het diploma haalt. Het hele curriculum doorlopen met minder dan een jaar vertraging lukt deze groep niet. Let wel: het gaat om 80% van onze studenten. Daarvoor is vooral meer begeleiding nodig, en dus meer personeel. Het is duidelijk dat dat bij deze bezuinigingen niet kan. Dat zet druk op de hoge kwaliteit die we nastreven. 

3. Ruimte voor ontplooiing
Delftse studenten blijken goed in het ontwikkelen van activiteiten naast de studie. Talrijke studenten zijn betrokken bij projecten zoals de zonneauto Nuna, of zetten succesvol bedrijven op. Het slipperproject Plakkies is een prachtvoorbeeld. Zulke bijzaken zijn voor een ingenieur-in-opleiding heel belangrijk. De natuurwetten kun je in een collegezaal leren, maar dat toepassen in de weerbarstige praktijk met andere mensen is voor velen het moment dat technologie pas echt gaat leven. Ingenieurs die slimme oplossingen verzinnen zijn belangrijk, maar we hebben ook ingenieurs nodig die met die slimme oplossingen anderen kunnen inspireren, die collega’s en andere disciplines enthousiast kunnen krijgen en meeslepen. De arbeidsmarkt is duidelijk: studenten die naast hun studie andere initiatieven hebben ontplooid hebben een stevig streepje voor. Dergelijke initiatieven moeten ook in het nieuwe systeem ruimte blijven krijgen. 

Overigens: omdat ook de universiteit een ‘boete’ krijgt voor langstudeerders, moet de universiteit bij ongewijzigd beleid rekening houden met een korting van 10 miljoen euro. Doordat de TU een groot percentage langstudeerders heeft, zou de regeling de TU Delft naar verhouding hard raken. Dat is zorgelijk, omdat ook de invoering van het Bachelor-Master systeem al onevenredige negatieve consequenties voor de TU had, net als de afschaffing van de financiering van non-EU studenten en de overheveling van 100 miljoen van de vaste rijksbijdrage naar NWO. Daar komt bij dat de Technische Universiteiten veel onderzoek financieren uit de ‘aardgasbaten’ en innovatiesubsidies. Ook die bronnen zullen grotendeels verdwijnen, heeft de regering aangekondigd. Deze opeenstapeling van negatieve financiële gevolgen die vooral de technische universiteiten treft, zet onze universiteit onder financiële druk.  

De komende tijd heeft iedereen een opdracht: studenten, docenten, decanen, college van bestuur. De universiteit moet nog meer werk maken van de ‘studeerbaarheid’ van opleidingen. Daar is al veel gebeurd de afgelopen jaren maar het kan beter. Zeker in de eerste studiejaren moet er meer structuur worden geboden. Studenten moeten zich inzetten vanaf dag 1. Opleidingen moeten zo zijn opgezet, dat studenten in staat zijn om een achterstand tijdig in te halen. De universiteit moet kijken of sommige ontplooiingsactiviteiten in het curriculum gehaald kunnen worden.  

Wij denken dat ook de regering een opdracht heeft, namelijk om een invulling te vinden die studeren haalbaar houdt en die moeilijke bètastudies juist aantrekkelijker maakt. Niet onaantrekkelijker. Daarnaast moet de regering de universiteit de middelen geven om bepaalde ontplooiingsactiviteiten te stimuleren, bijvoorbeeld een project zoals Plakkies, zonder dat de student daar aan het eind een gepeperde rekening voor betaald. 

En de student, die kan nog best een beetje harder studeren. Maar het zou onrechtvaardig en onverantwoord zijn om de rekening van deze bezuiniging EN de verantwoordelijkheid voor de Nederlandse kenniseconomie op zijn of haar schouders te laden.  

Paul Rullmann en Anka Mulder

Over dit onderwerp verscheen in NRC eerder al een opiniestuk van Rob Mudde, onderwijsdirecteur van de faculteit Technische Natuurwetenschappen. Deze is hier terug te lezen.

Jacco Hoekstra, decaan van de faculteit Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek schreef een opiniestuk over de kosten van langstudeerders op de website van de faculteit. Dit stuk is hier te lezen.

 

Laat het probleem van langstudeerders aan de universiteiten

Dit opiniestuk verscheen op 1 december in NRC Handelsblad. De auteur,  Prof.dr. Rob Mudde is directeur onderwijs op de faculteit technische natuurwetenschappen aan de TU Delft.   

Het onderwijs verkeert in zwaar weer. Enerzijds zijn er de niet aflatende financiële druk en de vloed aan veranderingen die vanuit Den Haag over het onderwijs worden uitgestort. Anderzijds is er een aanhoudende stroom van malversaties en onderpresteren die, vaak terecht, de landelijke pers haalt. De kritiek richt zich op InHolland. Leo Prick constateert dat sjoemelen en frauderen inmiddels is doorgesijpeld naar de werkvloer en geeft daar een serie voorbeelden van (NRC Opinie & Debat, 27 november).
Hij beweert dat docenten het moeilijk hebben om hoge eisen te stellen aan studenten, omdat dat leidt tot studievertraging, met nare, financiële gevolgen. Bovendien, stelt hij, ,,een tentamen over laten doen, bezorgt je ook nog eens extra werk". Docenten nemen uit moedeloosheid of gemakzucht genoegen met werkstukken onder de maat.
Deze aantijgingen herken ik in het geheel niet. Integendeel, veel van mijn collega’s zijn juist zeer betrokken bij onze studenten.  

Gisteren brak Karl Dittrich een lans voor langstudeerders, die te hard zouden worden aangepakt als de kabinetsplannen doorgaan (opiniepagina, 29 november). Ook dat herken ik nauwelijks. Dittrich heeft een punt als hij wijst op het nut van brede ontplooiing. Bestuurswerk van de grote studenten- en studieverenigingen neemt een jaar in beslag, een nuttig besteed jaar.
Maar het percentage studenten dat dit doet is klein.
 Het grootste deel van de studenten kan best een tandje sneller studeren.

Dat ligt voor een groot deel aan de vrijblijvendheid die in ons stelsel gebakken zit. Als een student het vereiste aantal studiepunten in het eerste jaar heeft gehaald, is er geen barrière meer: elke student kan dan zo lang blijven als hij wil.  Dat is geen goede zaak. Het zou veel beter zijn als de opleidingen elk jaar voortgang mogen eisen. Of, beter nog: dat ze aansluiting op de masterfase mogen weigeren bij onvoldoende prestaties. Alleen al zo’n dreigement zal wonderen doen.

Dat is veel beter dan boetes voor universiteiten of het laten betalen van de eigen masteropleiding door studenten.  Het is mij een raadsel waarom we accepteren dat mensen in de hele maatschappij prestaties moeten leveren in een vastgesteld tijdvak, behalve onze studerende elite. Natuurlijk horen grote projecten als deelname aan de zonneautorace in Australië bij een brede ontplooiing, maar wat mij betreft stuwen we het niveau van ons onderwijs pas op door echte eisen te stellen. Dat motiveert zowel student als docent. Ik ken geen collega’s die geen tijd vrijmaken voor gemotiveerde studenten. Ik ken geen gemotiveerde studenten die een slap tentamen of een halve opdracht appreciëren.  

Ik stel voor dat het kabinet de boete op lang studeren schrapt, maar dat voortaan elke student elk jaar ten minste driekwart van het aantal studiepunten moet halen. Zo niet, dan is het einde oefening. Dan is elke universitaire bachelorstudent binnen vier jaar klaar. Verder stel ik voor dat de automatische doorstroom naar de masterfase verleden tijd is. Daar komen minimumeisen op te staan. Voor serieuze nevenactiviteiten kan elke universiteit een regeling maken. Bestuursleden van grote studenten- en studieverenigingen kunnen bijvoorbeeld voor een jaar worden vrijgesteld van de onderwijsverplichtingen.  

Ten slotte stel ik een aanwezigheidsplicht voor in het eerste jaar van de bacheloropleidingen. Te vaak zie ik studenten met een onrealistisch beeld van hun eigen doen en laten. Met een aanwezigheidsplicht kunnen we de geschiktheid van een student voor een studie beter beoordelen en voorkomen we ongelukken.  Bovenstaande maatregelen zullen leiden tot versnelling van de studie en verhoging van het niveau.  

De problemen van de schatkist oplossen door langstudeerders te laten betalen, is een oneigenlijke maatregel. Wel dienen we het principe van wederkerigheid toe te passen: studenten krijgen een beurs en hoeven niet veel collegegeld te betalen, en als tegenprestatie studeren ze serieus en op tempo. Ze hebben dan recht op goed, nee, uitstekend onderwijs. Als dat rammelt, hebben we de Inspectie van het Onderwijs om te dreigen met maatregelen. En dan zijn er altijd nog de Leo Pricks om dit aan de orde te stellen.  

Rob Mudde

EU Must Act Fast and Share Knowledge With China

DJ

By DIRK JAN VAN DEN BERG

Dirk Jan van den Berg is President of Delft University of Technology, former chairman of the IDEA League of European Universities, and former Dutch ambassador to China and the UN. This article first appeared in The Wall Street Journal on October 8, 2010.

The fog of diplomacy at Wednesday’s EU-China Summit distracted onlookers from the critical issue facing Europe’s future competitiveness: its ability to remain a global power in innovation.

With the event heavily over-shadowed by tension over Chinese currency policy and bilateral trade imbalances, there were no breakthroughs. Moreover, key issues on the agenda such as Beijing’s reticence to open Chinese state purchasing procedures to European companies; and the EU’s reluctance to recognize China as a "market economy" will not determine the destiny of the European continent anyway—the harnessing and application of knowledge will.

Europe’s future as a world-leading innovation hub is already challenged by the rise of China, and the summit took scant measures to address this and seize what should be a very meaningful partnership. If Europe is to retain its economic pre-eminence, it must act urgently now to "lock-in" much greater science and technology-led business collaboration with China.

The key question is whether Europe’s leaders will seize the moment, or fail to capitalize on this major opportunity to spur economic growth?

The omens are not good. With policy at a roadblock in many European capitals, and much initiative focused upon national rather than international issues, the continent is at an effective standstill except for momentum generated by Brussels, especially through the EU’s 2020 initiative.

It is no exaggeration to say that Europe is facing an innovation emergency as Máire Geoghegan-Quinn, European Commissioner for Research, Innovation and Science, asserted Wednesday. This situation is a potential tragedy as, right now, a "one-time-only" opportunity is arising to move EU-China scientific and technological ties on to a different level. However, this window will last perhaps only 5-10 years before China’s innovation system approaches, and perhaps overtakes, that of Europe. Seizing this historic opportunity, while there still exists mutual bilateral interest, requires a fundamental shift in the scale of European thinking and effort.

Understanding the fleeting nature of this opportunity requires an appreciation of the rapidity of China’s emergence as a science and technology superpower. It is spending some 1.5% of GDP on R & D, twice the rate ten years ago, and may reach the U.S. figure of approximately 2.5% by 2020 (the EU average is about 1.8%). It has also quickly become the world’s second largest producer of scientific knowledge, as measured by the number of research publications.

To be sure, China’s overall scientific position right now is sometimes exaggerated. Concerns rightly persist, for instance, about whether its educational system sufficiently encourages individual creativity (often key in forging scientific breakthroughs), lack of systems thinking, and whether Chinese enterprises are capable of absorbing so much research.

Such issues mean the scale of China’s future achievement is uncertain. But, it is indisputable that we are witnessing the dawn of a new science and technology world order.

Firstly, the era of North American and European scientific dominance is ending, with fundamental implications not just for the global economy but also geopolitics. Secondly, the diffusion of scientific expertise is helping create a globalized commons of knowledge which China’s millions of scientists and engineers are well placed to tap into.

This transformation is, in turn, catalyzing a more collaborative and trans-border model of cooperation which will redefine the R & D world of the 21st century. Already in China there are some 1,200 foreign R & D centres. The key opportunity here for China is to continue moving up the R & D value chain. Its firms will become innovation powerhouses and rivals to European counterparts. We will ignore this at our peril.

How should Europe secure the prize of locking in collaboration with China before our opportunity disappears? Firstly, every link of the innovation chain from research to commercialization must be strengthened, including through the Europe 2020 strategy. We also must give greater urgency to national initiatives to reform R & D and innovation systems.

At this crucial point, however, it will not be enough for national and EU leaders to endlessly debate plans. The time for talking is over. We must act urgently and what is required includes sound, detailed budgeting to facilitate successful implementation.

Europe must capitalize on existing strengths and find synergies between Chinese growth needs, and the potential and objectives of European industry, research and consultancy. Europe’s strengths include exceptionally high quality of research; ability to work in interdisciplinary fashion (which makes research increasingly effective); and a very successful international corporate sector. World-leading specialities include in health with GlaxoSmithKline and AstraZeneca, and food and nutrition with Nestlé and Unilever.

In food and nutrition, there is a need in China for international scientific expertise owing to the need for better production efficiency and quality: food production scale in rural areas is below critical mass, and food quality is not suitable for export. China cannot, as yet, tackle this issue as it lacks a sufficiently robust quality assurance system.

If Europe can raise its game and step up to the historical challenge it confronts, compelling value propositions can also be developed in virtually all fields of science and research, including biotechnology, medical technology, nano-electronics and embedded systems, pharmaceuticals, and creative and design.

The challenges are real, but if we can surmount them, the prizes will be stronger bilateral partnerships; locking in China to world trade and investment rules; and a new foundation stone for sustainable growth.

Will our leaders seize the opportunity, or let it slip?

Geef ons de echte ingenieurs terug

 

Schaberg

Deze column van Johan Schaberg stond in het Economiekatern van NRC Handelsblad van zaterdag 2 oktober 2010, en is hier met toestemming van de auteur geplaatst.

Volgens een onderzoekje van adviesbureau Boer & Croon beginnen veel bedrijven bezwaar te maken tegen de hoge kosten van juridisch advies. Een topadvocaat van een groot kantoor vraagt 514 euro per uur, en dat mag van veel bedrijven best wat minder.

De vergelijking met een andere groep van topprofessionals is veelzeggend. Wie advies van een ingenieursbureau nodig heeft, betaalt voor een partner ongeveer 150 euro. En dan gaat het om vragen die er in de tastbare werkelijkheid toe doen – hoe zwaar moet een dijk zijn om het land droog te houden bijvoorbeeld, of hoe bouw je een elektriciteitscentrale die efficiënt is en veilig?

Er was een tijd dat de belangrijke dingen in dit land door ingenieurs werden bedacht en uitgevoerd. Zij legden kanalen aan en ontwierpen bruggen, spoorlijnen en Deltawerken. In de regering waren zij verantwoordelijk voor de Afsluitdijk (Lely), landbouw (Mansholt, Lardinois, Braks), aanschaf van F-16’s voor de luchtmacht (Vredeling), onderwijs (opnieuw Braks, Ritzen) en zelfs financiën (Vondeling). En zij bestuurden grote bedrijven als Philips, Hoogovens en Shell.

Maar ze zijn verdwenen. In het laatste kabinet-Balkenende zat er één, Eurlings, maar dat is geen echte want die is afgestudeerd in technische bedrijfskunde. Verder waren het politicologen, ex-onderwijsmensen, juristen, historici, economen, twee biologen en, de grootste groep, sociale wetenschappers. Bij elkaar niet echt een groep mensen van wie rekenen het sterkste punt is, en aan wie je de verantwoordelijkheid voor complexe technische projecten zou geven.

Toch zaten zij er, en die projecten dienden zich wel aan. Zou het daardoor komen dat de tunnel in de A2 bij Utrecht weliswaar gereed is, maar niet in gebruik kan worden genomen, de ov-chipkaart met zo veel moeite tot stand kwam en het rekeningrijden al jarenlang een strompelproject is? Zaten er op het hoogste niveau niet de mensen die op grond van vakkennis en technisch inzicht de complexiteit konden overzien enbeheersen?

Het doet zich niet alleen in de publieke sector voor. Ook in het bedrijfsleven zijn de topbanen in handen gekomen van mensen die leiding geven aan anderen die werken – niet van mensen die weten hoe je dingen moet maken. Daarvoor hoeven zij niet te weten wat die anderen precies doen, want zij hebben geleerd voor general management. Inhoud doet er niet toe, alles is proces, en als je een proces effectief ‘aanstuurt’, zoals dat heet, komt het met de inhoud vanzelf goed.

Tunnels en bruggen en complexe ICT-systemen – allemaal moeten ze tot stand komen, niet door goed rekenen, maar door effectieve aansturing. Als dat dan goed gaat, krijgen de aanstuurders een bonus. Als het fout gaat, wordt er natuurlijk een ontslagen, zoals Tony Hayward, de ex- baas van BP na de rampzalige olielekkage in de Golf van Mexico. Uiteindelijk lukte het de ingenieurs het lek te dichten, en die dag schoot de beurswaarde van BP met een paar miljard omhoog. Daar wordt Haywards opvolger straks waarschijnlijk goed voor beloond. Wat de ingenieurs krijgen, is niet bekend.

In mijn directe omgeving waren laatst een Delftse student en een student sociale wetenschappen aan het vergelijken hoeveel ze moesten leren voor drie studiepunten. Voor de laatstgenoemde was dat een werkje over de historische ontwikkeling van de sociologie. De Delftenaar moest zich driehonderd bladzijden techniek eigen maken plus een hoop computerwerk – voor één studiepunt. Ingenieurs hebben een vak, de meeste anderen zijn handig met vaardigheden.

Ooit was er de filosofenschool van de sofisten. Die waren niet uit op de wezenlijke vragen van het ware, het goede en het schone, maar op effectiviteit. ‘Het is goed als het werkt’, was ongeveer hun stelregel, of beter nog: ‘als iedereen gelooft dat het werkt’. Inhoudelijke wijsgeren als Socrates en Plato hadden een enorme hekel aan deze principeloze praatjesmakers, maar de uitkomst was wel dat zij de macht in Athene overnamen en Socrates ter dood werd gebracht.

De nieuwe sofisten zijn de procesaanstuurders, de fusie- en overnamespecialisten en de juristen die daar voor 514 euro per uur contracten bij maken. Allemaal hebben ze rechten gestudeerd of hebben ze een MBA-diploma, maar een schroef recht indraaien kunnen ze niet. Ze hebben ons verteld dat wij geluk, welvaart en aandeelhouderswaarde aan hen te danken hebben. Wij, het goedgelovige publiek, geloven het nog ook, en betalen de schimmenspelers de hoofdprijs.

Minister Eurlings – misschien toch een echte ingenieur – wees vorige week resoluut het voorstel van de hand om de beloning van de directie van spoorwegbeheerder ProRail te verdubbelen. Dat is een staatsbedrijf zonder concurrentie dat ‘s winters veel wissels laat bevriezen. Eurlings was even gaan rekenen en vergelijken, en vond het voorstel buiten proporties. Balkenendenorm en geen cent meer, bromde hij.

Dat was krachtig gesproken, maar oei, dacht ik, wat gebeurt er als de hele ProRail-directie verontwaardigd opstapt? Ze deden het niet, maar waar vind je in de wereld van procesaanstuurders directeuren die bereid zijn voor een schamele 188.000 euro aan de slag te gaan? Tot die uurtarievenvergelijking van advocaten en ingenieurs langskwam.

Voor minder dan eenderde van de prijs van een moderne sofist heb je iemand die weet dat inhoud voor aansturing komt. Die beseft dat stekkers alleen werken als de stopcontacten ook kloppen, en die ervaring heeft met krachten en weerstanden en daarmee kan rekenen. Dan heb je voor 188.000 euro een ingenieur die sterk is op inhoud, waar je anders een half miljoen kwijt zou zijn voor een jurist, bestuurskundige of MBA’er.

Heren (en ook dames!) commissarissen, word wakker, let op uw inkoopgedrag bij de aanschaf van uw volgende topbestuurder. Geef ons de ingenieurs terug. Ze kosten minder en werken zeker net zo goed.

Johan Schaberg

 

© 2011 TU Delft