2011-04-29
Crippling border checks unnecessary
International free trade, within and beyond the EU, is the core of our world economy and measures to promote free trade are often highly vaunted. However, in real life it is a very different matter: in recent times border checks have become far more severe, on the one hand because of anti-terrorism measures and on the other hand because of growing concerns about food safety. As a trading nation this costs the Netherlands in particular an enormous amount of money. Effective use of ICT could really help to keep these costs down without compromising safety and security.
Border checks involve not only physical inspections but also a huge amount of paperwork. On average an export company has to send 30 documents to a wide range of government institutions for every container they export. Each year more than 10 million containers pass through the Port of Rotterdam, so that is a lot of paperwork. And worldwide this costs hundreds of millions of dollars every year.
These checks pose a dilemma for the Dutch government. Safety and security are of great importance, but if other European countries decide to set less stringent standards in their border checks, we could find a large amount of trade that currently passes through the Netherlands being diverted to other countries.
If we want to keep up our levels of safety and security as well as maintaining our strategic position as a trading nation, ICT innovation could be a useful tool. In this case the solution is an electronic container seal (e-seal) which can be fitted to a sea container. The e-seal is a sort of combination of GPS and mobile phone and transmits information about the precise location of the container. The equipment also uses an internet connection to allow Customs officers direct access to relevant information in the business information system of the owner of the goods in the container as well as the transport company. In practice this information is already stored in the ERP systems of these companies, who have to keep it properly up to date for their own administration. At present they have to fill in all this information on government forms manually. This is not really necessary and involves a high risk of human error.
Border checks can be made far simpler if companies give Customs direct access to this information. Customs officers can use a laptop or smart phone to quickly see what is in the container and where the container has travelled from. Instead of time-consuming inspections, supervision can be shifted to secure and meticulous business information systems. This is a task which is already covered by the government with regard to levying of taxes and audit statements.
The gain: 30 fewer documents per sea container, but more importantly, far quicker world trade and many millions worth of cost savings.
The system does require a certain measure of mutual trust between the government and the business sector. It can be compared to the ‘green lane’ procedure at airports where the passenger indicates himself whether or not he has anything to declare. This principle can also be applied to goods transport. Of course Customs can still carry out spot checks to compare the contents of the container against what is stated in the company records. It will be far less attractive for businesses to commit fraud, because this will entail tampering with their primary business information, and if the information does not tally, they will have a problem with the tax authorities, for example, as well as Customs.
The technology required is already available and the benefits are clear. The real challenge lies in international political collaboration, as we are talking about complex political negotiations between a range of trading partners, the European Commission, the World Customs Organization, the United Nations and the World Trade Organization. Just as with every major ICT innovation, only 20% depends on the technology, and the rest on the willingness of the politicians.
Prof. Yao-Hua Tan is professor of Information and Communication Technology at TU Delft.
Verlammende grenscontroles zijn niet nodig
Prof. Yao-Hua Tan is hoogleraar Informatie- en Communicatietechnologie aan de TU Delft. Dit opinieartikel is ontleend uit zijn intreerede van vrijdag 29 april "Technieken voor Verantwoord Vertrouwen"
Internationale vrijhandel, binnen en buiten de EU, is de kern van onze wereldeconomie en er wordt vaak hoog opgegeven van de maatregelen om die vrijhandel verder te bevorderen. De praktijk is echter heel anders: grenscontroles zijn de laatste tijd enorm verzwaard, enerzijds door anti-terrorisme-maatregelen en anderzijds door het groeiende bewustzijn over voedselveiligheid. Vooral handelsland Nederland kost dat erg veel geld. Het goed inzetten van ICT kan die kosten enorm drukken, zonder de veiligheid onder druk te zetten.Papierwerk
Bij grenscontroles gaat het om fysieke inspecties, maar vooral ook om papierwerk. Gemiddeld moet een exporterend bedrijf 30 documenten sturen naar allerlei overheidsinstanties voor de export van 1 container. Per jaar gaan er meer dan 10 miljoen containers door de Rotterdamse Haven, dus dat telt op. Dat kost wereldwijd honderden miljarden dollars per jaar. Voor de Nederlandse overheid vormen die controles een dilemma. Veiligheid is van groot belang, maar als andere Europese landen minder hoge eisen stellen aan hun grenscontroles, dan zou een fors deel van de Nederlandse handelsstroom wel eens kunnen verschuiven naar andere landen.
Electronisch Container Zegel
Als we de veiligheid willen waarborgen, maar onze strategische positie als handelsnatie willen waarborgen, dan kan ICT innovatie daarbij helpen. In dit geval is de oplossing een elektronisch container zegel (ECZ), waarmee een zeecontainer kan worden uitgerust. De ECZ is een soort combinatie van een GPS en een mobiele telefoon, en verzendt informatie over precieze locatie zodat bekend is waar de container is. Daarnaast kan de het apparaat de Douane via een internetverbinding direct toegang geven tot relevante informatie in de bedrijfsinformatiesystemen van de eigenaar van de goederen in de container, en van de vervoerder. Alle informatie over de inhoud zit in de praktijk al in ERP-systemen van deze bedrijven, die dat voor hun eigen beheer goed moeten bijhouden. Nu moeten ze die informatie handmatig overbrengen op formulieren naar de overheid. Dat is eigenlijk onnodig en geeft een grote kans op fouten.
Tijdrovende inspecties
Grenscontroles worden enorm eenvoudig als bedrijven de douane directe toegang geven tot deze informatie. De douane kan snel, bijvoorbeeld op een laptop of smart phone, zien wat er in containers zit en waar de container op reis is geweest. Het toezicht kan dan worden verlegd van tijdrovende inspecties van containers naar toezicht op betrouwbare en zorgvuldige bedrijfsinformatiesystemen. Dat is een taak die van nature door de overheid al wordt gedekt, met het oog op belastingheffing en accountancyverklaringen.
De winst: 30 formulieren per zeecontainer minder, maar vooral veel snellere wereldhandel, vele miljarden kostenbesparingen.
Onderling vertrouwen
Voor het systeem is wel enig onderling vertrouwen nodig tussen de overheid en het bedrijfsleven. Het is te vergelijken met de green lane behandeling op luchthavens. Daar geeft de passagier zelf aan of hij iets aan te geven heeft of niet. Voor goederen kan dat ook. De douane blijft natuurlijk steekproefsgewijs controleren, door de inhoud van containers te vergelijken met bedrijfsinformatie. Frauderen voor een bedrijf wordt dan erg onaantrekkelijk, omdat het geknoei vereist met primaire bedrijfsinformatie. Bovendien, als het niet klopt heeft een bedrijf niet alleen een probleem met de douane, maar ook met bijvoorbeeld de belastingdienst.
Politieke wil
De technologie hiervoor ligt op de plank en de voordelen zijn duidelijk. De echte uitdaging is internationale politieke samenwerking. We praten hier over complexe politieke onderhandelingen tussen diverse handelspartners, de Europese Commissie, de Wereld Douane Organisaties, de Verenigde Naties en de Wereld Handels Organisatie. Zoals bij elke grote ICT-innovatie is maar 20% techniek, de rest is politieke wil.
2011-01-26
Ondernemerschap laten floreren
Door Marco Waas, decaan Faculteit Werktuigbouwkunde, Maritieme Techniek & Technische Materiaalwetenschappen
Ondernemerschap laten floreren
Op 26 januari brengt Minister Verhagen van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie (EL&I) in het kader van het nieuwe innovatiebeleid een werkbezoek aan enkele innovatieve bedrijven op de TU Delft. Het kabinet en TU Delft zien beide het grote belang om innovatie krachtig te stimuleren. Wat is er nodig?
Uitdagingen
Nederland staat voor stevige uitdagingen. We moeten oplossingen vinden voor de gevolgen van klimaatverandering, vergrijzing, uitputting van grondstoffen, mobiliteit en milieuvervuiling. Tegelijkertijd willen we brood op de plank. Een sterke concurrentiepositie moet voorkomen dat we de speelbal worden van de wereldeconomie, maar juist een bal meetrappen. De kunst is om meer te doen met minder, om slimmer en schoner te werken. Daarvoor zijn baanbrekende innovaties nodig. Nieuwe producten, diensten en werkwijzen. Ondernemerschap is hiervoor onmisbaar.
Ondernemend
De nieuwe wereldwijde ranglijst voor ondernemerschap, de Global Entrepreneurship and Development index, kijkt naar drie factoren die met ondernemerschap te maken hebben: houding ten opzichte van ondernemerschap, ondernemende activiteiten en het ambitieniveau van ondernemers. Op de eerste twee categorieën scoort Nederland relatief goed. Zoals blijkt uit het vorige week gepubliceerde onderzoek van het CBS in opdracht van Minister Verhagen is Nederland de afgelopen jaren duidelijk ondernemender geworden. Zo’n 40% van de Nederlanders verkiest het ondernemerschap boven een baan als ze moeten kiezen. Ook starten meer Nederlanders daadwerkelijk een bedrijf. “Die ondernemende houding zorgt voor banen en bedrijvigheid. Ook zorgt het ervoor dat we wereldwijd voorop blijven lopen en sneller uit de crisis komen", aldus Minister Verhagen.
YES!Delft
Ook de TU Delft heeft hier met haar ondernemerscentrum YES!Delft de afgelopen jaren aan bijgedragen. Het Inspiration Centre van YES!Delft inspireert studenten en medewerkers van de TU Delft tot ondernemerschap. Het Education Centre biedt toegang tot kennis en vaardigheden die baanbrekend technisch ondernemerschap mogelijk maken. Het Incubation Centre is de broedplaats voor succesvol technisch ondernemerschap. Dit Centre voorziet technostarters van praktische begeleiding, strategisch advies en een technische infrastructuur voor product- of procesontwikkeling. Deze strategie heeft de afgelopen jaren geleid tot succesvolle bedrijven, zoals bijvoorbeeld Senz dat een stormparaplu in de markt heeft gezet, en Epyon. Dit bedrijf maakt apparaten waarmee accu’s ongekend snel zijn op te laden. In totaal heeft YES!Delft in de eerste vijf jaar van haar bestaan 72 nieuwe bedrijven voortgebracht. Tachtig procent van die bedrijven hebben samen ongeveer 400 directe en 900 indirecte banen opgeleverd. Gezamenlijk zijn ze goed voor een verkoopomzet van 13 miljoen euro en hebben ze ruim 28 miljoen euro geïnvesteerd vermogen ontvangen via onder andere investeerders, subsidies en prijzengeld.*
Ambitie
Ondanks deze ondernemende houding staat Nederland op de nieuwe wereldwijde ranglijst voor ondernemerschap slechts op de tiende plaats. We zijn een land dat in de subtop van de Champions League meedraait. Hoe kan dat? Met name een nadere beschouwing van het ambitieniveau van Nederlandse ondernemers levert interessante informatie op: uit de Global Entrepreneurship and Development index blijkt dat nieuwe Nederlandse ondernemingen niet snel groeien en ze hun vleugels niet voldoende uitstrekken naar het buitenland.
Groei
De groeifase vraagt om een specifieke benadering van bedrijfsfinanciering, huisvesting en personeel- en organisatiebeleid. De TU Delft heeft daarom vorig jaar haar ondernemersbroedplaats uitgebreid met een vierde Centre, het Growth Centre. Hightechbedrijven kunnen nu, als ze de startfase zijn ontgroeid, ook bij YES!Delft terecht. Het ondernemerscentrum van de TU Delft ondersteunt op deze manier alle fasen van ondernemerschap. De hierboven genoemde bedrijven Senz en Epyon zijn inmiddels succesvolle, groeiende bedrijven. Zo heeft Epyon eind 2010 zeven miljoen euro aan kapitaal opgehaald, onder meer bij het Taiwanese Liteon. Daarmee kan het bedrijf een belangrijkere positie in Europa en daarbuiten in gaan nemen.
Internationaal
Om internationaal te kunnen excelleren, is regionale samenwerking tussen kennisinstellingen, bedrijfsleven en overheden van belang. Als verschillende initiatieven, projecten, beleidsprogramma’s en organisaties in een regio meer met elkaar in verbinding staan, zal een regio economisch sterker worden. Dit maakt het makkelijker om een kennisregio internationaal te profileren, en zo talent, bedrijven, investeerders en klanten aan te trekken. YES!Delft werkt daarom steeds meer samen met regionale initiatieven zoals de science parken van Science Port Holland en de thematische innovatieclusters Medical Delta en Clean Tech Delta.
* Deze cijfers zijn gebaseerd op de periode 2005 - 2009. In 2010 zijn 17 nieuwe bedrijven toegetreden tot YES!Delft. Overige cijfers over 2010 zullen binnenkort beschikbaar zijn.
2011-01-21
Lang studeren? Daar moeten wij toch wat langer op studeren
Dit opinieartikel verscheen op vrijdag 21 januari in NRC Handelsblad
‘Den Haag’ is in de drukdrukdruk-stand. De bordjes van de nieuwe bewindslieden liggen vol. De 18 miljard euro aan bezuinigingen moeten worden ingevuld. Bij te lang wachten kan men in verlopend tij verzeilen. Snel werken is geboden. Alles moet voor de zomer de ministeries uit en de Kamer in.
‘Haastige spoed is zelden goed’ is een Nederlands devies. Het zou bij dit kabinet in goede aarde moeten vallen. Hebt u weleens geprobeerd met een hamer een schroef in een plank te slaan, omdat een schroevendraaier pakken te lang duurt? Zo zal het ook de langstudeerders vergaan. Een bezuiniging is het verkeerde gereedschap om langstuderen tegen te gaan, is omslachtig en onduidelijk en kent ongewenste effecten. Wat is bijvoorbeeld de logica van het beboeten van een instelling wanneer deze voldoet aan de wettelijke plicht om onderwijs en examens aan te bieden aan collegegeld betalende studenten?
Is het nu echt de bedoeling de opleidingen in de bèta- en techniekvakken minder aantrekkelijk te maken door het risico op hogere studielasten te vergroten? Een extra jaar voor een eenjarige master is een beter aanbod dan een extra jaar voor een tweejarige master, zoals bij bèta en techniek, en dat tegen de achtergrond dat de studielast voor bèta en techniek een behoorlijk
stuk hoger ligt. Geef dan tenminste voor bèta en techniek twee jaar ruimte, voor de bachelor- en masterfase tezamen.
Jarenlang zijn we al bezig om jonge mensen te interesseren voor een opleiding in bèta en techniek. Wij hebben hen nodig om ons bedrijfsleven innovatief en concurrerend te houden. Verlies niet uit het oog dat in andere delen van de wereld, Azië voorop, wetenschappelijk onderzoek in volle gang is en een zeer concurrerend bedrijfsleven ontstaat. Denk eens over de zorg voor onze nationale waterstaat. Zou het niet goed zijn als straks tussen al die ingenieurs uit China en India ook nog wat Nederlanders zitten?
Het kabinet gaat snel – een beetje te snel. Wij op de universiteiten snappen ook wel dat de bezuiniging van 18 miljard euro een politieke afspraak is en dat alle sectoren een steentje moeten bijdragen. Dit kabinet wil bezuinigen, wil maatregelen nemen tegen langstuderen en wil ook het hoger onderwijs een kwaliteitsimpuls geven, zoals aanbevolen door de commissie-Veerman, maar het is een veel beter idee om over deze drie onderwerpen in samenhang te beslissen en niet zoals het nu lijkt te gebeuren.
Het is toch de bedoeling dat de opbrengst van de bezuinigingen in het hoger onderwijs opnieuw in die sector wordt geïnvesteerd? Waarom dan die U-bocht van eerst weghalen en dan weer uitdelen? Afbraak gaat snel, opbouw duurt lang. Is het niet veel slimmer om het langstuderen in te passen in een geheel van maatregelen rond toelating, studiebegeleiding, profilering opleidingen, vertrekadvies en prijsdifferentiatie? Dat zijn onderwerpen die bij de uitwerking van ‘Veerman’ aan de orde moeten komen.
Houd het dus bij elkaar. Probeer niet eerst een bezuiniging in te vullen die ook nog eens ten nadele is van bèta en techniek. Haast u langzaam. Pak de bezuiniging, de herinvestering en het langstuderen aan op basis van een doordachte uitwerking van het rapport van Veerman. Als je op de universiteiten wilt bezuinigen, laat dan ten minste de universiteiten zelf bepalen hoe ze dat met zo min mogelijk schade kunnen doen.
Dirk Jan van den Berg is collegevoorzitter van de TU Delft.
2010-12-02
Pas op voor ongewenste effecten langstudeerdersregeling
Dit opiniestuk is geschreven door Paul Rullmann, Collegelid van de TU Delft, en Anka Mulder, directeur onderwijs & studentenzaken.
De regering gaat met financiële middelen paal en perk stellen aan de studieduur. Het is de vraag of langstudeerders nu echt zo duur zijn. Maar als deze regering dit beleid doorvoert –en daar ziet het naar uit – dan is het belangrijk om dat zo te organiseren dat er geen ongewenste bijeffecten ontstaan. Hieronder drie van die mogelijke bijeffecten op een rijtje.
1. Hoge drempel voor bèta’s.
De regeling dat een student na 1 jaar studievertraging 4800 euro collegegeld gaat betalen (regulier 1800) zal een drempel opwerpen voor vooral technische studies. Die worden door scholieren vaak als moeilijk gezien, en dat is ook terecht: de gemiddelde studieduur in Delft is de op een na hoogste van Nederland en dat komt voor een belangrijk deel door de zwaarte van de studie.
Daarbij: alle studies in Delft duren vijf jaar – drie jaar BSC en twee jaar MSc - in tegenstelling tot vier bij reguliere studies. Een jaar vertraging is dan sneller opgelopen. De aankomende student heeft de keus tussen een moeilijkere, langere studie in Delft of een kortere, eenvoudigere bij een reguliere universiteit. Dat vraagt wel erg veel motivatie, zeker als je weet dat switchen eigenlijk niet meer kan in dit nieuwe systeem.
Nederland heeft de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in het enthousiasmeren van studenten voor technische studies (platform bètatechniek, Jetnet, Stichting Techniek Promotie e.d.). Door deze hoge boetekans wordt dat werk weer teniet gedaan.
2. De kwaliteit onder druk
De kwaliteit van studies in Delft is goed, en het niveau hoog. We durven veel van onze studenten te vragen. Maar kan dat nog in de toekomst? De top 20% zal geen problemen ondervinden, maar je wilt als universiteit dat ook de groep eronder het diploma haalt. Het hele curriculum doorlopen met minder dan een jaar vertraging lukt deze groep niet. Let wel: het gaat om 80% van onze studenten. Daarvoor is vooral meer begeleiding nodig, en dus meer personeel. Het is duidelijk dat dat bij deze bezuinigingen niet kan. Dat zet druk op de hoge kwaliteit die we nastreven.
3. Ruimte voor ontplooiing
Delftse studenten blijken goed in het ontwikkelen van activiteiten naast de studie. Talrijke studenten zijn betrokken bij projecten zoals de zonneauto Nuna, of zetten succesvol bedrijven op. Het slipperproject Plakkies is een prachtvoorbeeld. Zulke bijzaken zijn voor een ingenieur-in-opleiding heel belangrijk. De natuurwetten kun je in een collegezaal leren, maar dat toepassen in de weerbarstige praktijk met andere mensen is voor velen het moment dat technologie pas echt gaat leven. Ingenieurs die slimme oplossingen verzinnen zijn belangrijk, maar we hebben ook ingenieurs nodig die met die slimme oplossingen anderen kunnen inspireren, die collega's en andere disciplines enthousiast kunnen krijgen en meeslepen. De arbeidsmarkt is duidelijk: studenten die naast hun studie andere initiatieven hebben ontplooid hebben een stevig streepje voor. Dergelijke initiatieven moeten ook in het nieuwe systeem ruimte blijven krijgen.
Overigens: omdat ook de universiteit een 'boete' krijgt voor langstudeerders, moet de universiteit bij ongewijzigd beleid rekening houden met een korting van 10 miljoen euro. Doordat de TU een groot percentage langstudeerders heeft, zou de regeling de TU Delft naar verhouding hard raken. Dat is zorgelijk, omdat ook de invoering van het Bachelor-Master systeem al onevenredige negatieve consequenties voor de TU had, net als de afschaffing van de financiering van non-EU studenten en de overheveling van 100 miljoen van de vaste rijksbijdrage naar NWO. Daar komt bij dat de Technische Universiteiten veel onderzoek financieren uit de 'aardgasbaten' en innovatiesubsidies. Ook die bronnen zullen grotendeels verdwijnen, heeft de regering aangekondigd. Deze opeenstapeling van negatieve financiële gevolgen die vooral de technische universiteiten treft, zet onze universiteit onder financiële druk.
De komende tijd heeft iedereen een opdracht: studenten, docenten, decanen, college van bestuur. De universiteit moet nog meer werk maken van de 'studeerbaarheid' van opleidingen. Daar is al veel gebeurd de afgelopen jaren maar het kan beter. Zeker in de eerste studiejaren moet er meer structuur worden geboden. Studenten moeten zich inzetten vanaf dag 1. Opleidingen moeten zo zijn opgezet, dat studenten in staat zijn om een achterstand tijdig in te halen. De universiteit moet kijken of sommige ontplooiingsactiviteiten in het curriculum gehaald kunnen worden.
Wij denken dat ook de regering een opdracht heeft, namelijk om een invulling te vinden die studeren haalbaar houdt en die moeilijke bètastudies juist aantrekkelijker maakt. Niet onaantrekkelijker. Daarnaast moet de regering de universiteit de middelen geven om bepaalde ontplooiingsactiviteiten te stimuleren, bijvoorbeeld een project zoals Plakkies, zonder dat de student daar aan het eind een gepeperde rekening voor betaald.
En de student, die kan nog best een beetje harder studeren. Maar het zou onrechtvaardig en onverantwoord zijn om de rekening van deze bezuiniging EN de verantwoordelijkheid voor de Nederlandse kenniseconomie op zijn of haar schouders te laden.
Paul Rullmann en Anka Mulder
Over dit onderwerp verscheen in NRC eerder al een opiniestuk van Rob Mudde, onderwijsdirecteur van de faculteit Technische Natuurwetenschappen. Deze is hier terug te lezen.

Navigation