Categories

Archive

Disclaimer

De meningen ge-uit door medewerkers en studenten van de TU Delft en de commentaren die zijn gegeven reflecteren niet perse de mening(en) van de TU Delft. De TU Delft is dan ook niet verantwoordelijk voor de inhoud van hetgeen op de TU Delft weblogs zichtbaar is. Wel vindt de TU Delft het belangrijk - en ook waarde toevoegend - dat medewerkers en studenten op deze, door de TU Delft gefaciliteerde, omgeving hun mening kunnen geven.

Weblog TU Delft

Crippling border checks unnecessary

International free trade, within and beyond the EU, is the core of our world economy and measures to promote free trade are often highly vaunted. However, in real life it is a very different matter: in recent times border checks have become far more severe, on the one hand because of anti-terrorism measures and on the other hand because of growing concerns about food safety. As a trading nation this costs the Netherlands in particular an enormous amount of money. Effective use of ICT could really help to keep these costs down without compromising safety and security.

Border checks involve not only physical inspections but also a huge amount of paperwork. On average an export company has to send 30 documents to a wide range of government institutions for every container they export. Each year more than 10 million containers pass through the Port of Rotterdam, so that is a lot of paperwork. And worldwide this costs hundreds of millions of dollars every year.
These checks pose a dilemma for the Dutch government. Safety and security are of great importance, but if other European countries decide to set less stringent standards in their border checks, we could find a large amount of trade that currently passes through the Netherlands being diverted to other countries.

If we want to keep up our levels of safety and security as well as maintaining our strategic position as a trading nation, ICT innovation could be a useful tool. In this case the solution is an electronic container seal (e-seal) which can be fitted to a sea container. The e-seal is a sort of combination of GPS and mobile phone and transmits information about the precise location of the container. The equipment also uses an internet connection to allow Customs officers direct access to relevant information in the business information system of the owner of the goods in the container as well as the transport company. In practice this information is already stored in the ERP systems of these companies, who have to keep it properly up to date for their own administration. At present they have to fill in all this information on government forms manually. This is not really necessary and involves a high risk of human error.

Border checks can be made far simpler if companies give Customs direct access to this information. Customs officers can use a laptop or smart phone to quickly see what is in the container and where the container has travelled from. Instead of time-consuming inspections, supervision can be shifted to secure and meticulous business information systems. This is a task which is already covered by the government with regard to levying of taxes and audit statements.

The gain: 30 fewer documents per sea container, but more importantly, far quicker world trade and many millions worth of cost savings.
The system does require a certain measure of mutual trust between the government and the business sector. It can be compared to the ‘green lane’ procedure at airports where the passenger indicates himself whether or not he has anything to declare. This principle can also be applied to goods transport. Of course Customs can still carry out spot checks to compare the contents of the container against what is stated in the company records. It will be far less attractive for businesses to commit fraud, because this will entail tampering with their primary business information, and if the information does not tally, they will have a problem with the tax authorities, for example, as well as Customs.

The technology required is already available and the benefits are clear.  The real challenge lies in international political collaboration, as we are talking about complex political negotiations between a range of trading partners, the European Commission, the World Customs Organization, the United Nations and the World Trade Organization. Just as with every major ICT innovation, only 20% depends on the technology, and the rest on the willingness of the politicians.

Prof. Yao-Hua Tan is professor of Information and Communication Technology at TU Delft.

Verlammende grenscontroles zijn niet nodig

 

Prof. Yao-Hua Tan is hoogleraar Informatie- en Communicatietechnologie aan de TU Delft.  Dit opinieartikel is ontleend uit zijn intreerede van vrijdag 29 april "Technieken voor Verantwoord Vertrouwen"

Internationale vrijhandel, binnen en buiten de EU, is de kern van onze wereldeconomie en er wordt vaak hoog opgegeven van de maatregelen om die vrijhandel verder te bevorderen. De praktijk is echter heel anders: grenscontroles zijn de laatste tijd enorm verzwaard, enerzijds door anti-terrorisme-maatregelen en anderzijds door het groeiende bewustzijn over voedselveiligheid. Vooral handelsland Nederland kost dat erg veel geld. Het goed inzetten van ICT kan die kosten enorm drukken, zonder de veiligheid onder druk te zetten.

Papierwerk
Bij grenscontroles gaat het om fysieke inspecties, maar vooral ook om papierwerk. Gemiddeld moet een exporterend bedrijf 30 documenten sturen naar allerlei overheidsinstanties voor de export van 1 container. Per jaar gaan er meer dan 10 miljoen containers door de Rotterdamse Haven, dus dat telt op. Dat kost wereldwijd honderden miljarden dollars per jaar.
Voor de Nederlandse overheid vormen die controles een dilemma. Veiligheid is van groot belang, maar als andere Europese landen minder hoge eisen stellen aan hun grenscontroles, dan zou een fors deel van de Nederlandse handelsstroom wel eens kunnen verschuiven naar andere landen.

Electronisch Container Zegel
Als we de veiligheid willen waarborgen, maar onze strategische positie als handelsnatie willen waarborgen, dan kan ICT innovatie daarbij helpen. In dit geval is de oplossing een elektronisch container zegel (ECZ), waarmee een zeecontainer kan worden uitgerust. De ECZ is een soort combinatie van een GPS en een mobiele telefoon, en verzendt informatie over precieze locatie zodat bekend is waar de container is. Daarnaast kan de het apparaat de Douane via een internetverbinding direct toegang geven tot relevante informatie in de bedrijfsinformatiesystemen van de eigenaar van de goederen in de container, en van de vervoerder. Alle informatie over de inhoud zit in de praktijk al in ERP-systemen van deze bedrijven, die dat voor hun eigen beheer goed moeten bijhouden. Nu moeten ze die informatie handmatig overbrengen op formulieren naar de overheid. Dat is eigenlijk onnodig en geeft een grote kans op fouten.

Tijdrovende inspecties
Grenscontroles worden enorm eenvoudig als bedrijven de douane directe toegang geven tot deze informatie. De douane kan snel, bijvoorbeeld op een laptop of smart phone, zien wat er in containers zit en waar de container op  reis is geweest. Het toezicht kan dan worden verlegd van tijdrovende inspecties van containers naar toezicht op betrouwbare en zorgvuldige bedrijfsinformatiesystemen. Dat is een taak die van nature door de overheid al wordt gedekt, met het oog op belastingheffing en accountancyverklaringen.
De winst: 30 formulieren per zeecontainer minder, maar vooral veel snellere wereldhandel, vele miljarden kostenbesparingen.

Onderling vertrouwen
Voor het systeem is wel enig onderling vertrouwen nodig tussen de overheid en het bedrijfsleven. Het is te vergelijken met de green lane behandeling op luchthavens. Daar geeft de passagier zelf aan of hij iets aan te geven heeft of niet. Voor goederen kan dat ook. De douane blijft natuurlijk steekproefsgewijs controleren, door de inhoud van containers te vergelijken met bedrijfsinformatie. Frauderen voor een bedrijf wordt dan erg onaantrekkelijk, omdat het geknoei vereist met primaire bedrijfsinformatie. Bovendien, als het niet klopt heeft een bedrijf niet alleen een probleem met de douane, maar ook met bijvoorbeeld de belastingdienst.

Politieke wil
De technologie hiervoor ligt op de plank en de voordelen zijn duidelijk.  De echte uitdaging is internationale politieke samenwerking. We praten hier over complexe politieke onderhandelingen tussen diverse handelspartners, de Europese Commissie, de Wereld Douane Organisaties, de Verenigde Naties en de Wereld Handels Organisatie.  Zoals bij elke grote ICT-innovatie is maar 20% techniek, de rest is politieke wil.

Ondernemerschap laten floreren

Door Marco Waas, decaan Faculteit Werktuigbouwkunde, Maritieme Techniek & Technische Materiaalwetenschappen

Ondernemerschap laten floreren 

Op 26 januari brengt Minister Verhagen van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie (EL&I) in het kader van het nieuwe innovatiebeleid een werkbezoek aan enkele innovatieve bedrijven op de TU Delft. Het kabinet en TU Delft zien beide het grote belang om innovatie krachtig te stimuleren. Wat is er nodig?  

Uitdagingen
Nederland staat voor stevige uitdagingen. We moeten oplossingen vinden voor de gevolgen van klimaatverandering, vergrijzing, uitputting van grondstoffen, mobiliteit en milieuvervuiling. Tegelijkertijd willen we brood op de plank. Een sterke concurrentiepositie moet voorkomen dat we de speelbal worden van de wereldeconomie, maar juist een bal meetrappen. De kunst is om meer te doen met minder, om slimmer en schoner te werken. Daarvoor zijn baanbrekende innovaties nodig. Nieuwe producten, diensten en werkwijzen. Ondernemerschap is hiervoor onmisbaar.
 

Ondernemend
De nieuwe wereldwijde ranglijst voor ondernemerschap, de Global Entrepreneurship and Development index, kijkt naar drie factoren die met ondernemerschap te maken hebben: houding ten opzichte van ondernemerschap, ondernemende activiteiten en het ambitieniveau van ondernemers. Op de eerste twee categorieën scoort Nederland relatief goed. Zoals blijkt uit het vorige week gepubliceerde onderzoek van het CBS in opdracht van Minister Verhagen is Nederland de afgelopen jaren duidelijk ondernemender geworden. Zo’n 40% van de Nederlanders verkiest het ondernemerschap boven een baan als ze moeten kiezen. Ook starten meer Nederlanders daadwerkelijk een bedrijf. “Die ondernemende houding zorgt voor banen en bedrijvigheid. Ook zorgt het ervoor dat we wereldwijd voorop blijven lopen en sneller uit de crisis komen", aldus Minister Verhagen.
 

YES!Delft
Ook de TU Delft heeft hier met haar ondernemerscentrum YES!Delft de afgelopen jaren aan bijgedragen. Het Inspiration Centre van YES!Delft inspireert studenten en medewerkers van de TU Delft tot ondernemerschap. Het Education Centre biedt toegang tot kennis en vaardigheden die baanbrekend technisch ondernemerschap mogelijk maken. Het Incubation Centre is de broedplaats voor succesvol technisch ondernemerschap. Dit Centre voorziet technostarters van praktische begeleiding, strategisch advies en een technische infrastructuur voor product- of procesontwikkeling. Deze strategie heeft de afgelopen jaren geleid tot succesvolle bedrijven, zoals bijvoorbeeld Senz dat een stormparaplu in de markt heeft gezet, en Epyon. Dit bedrijf maakt apparaten waarmee accu’s ongekend snel zijn op te laden. In totaal heeft YES!Delft in de eerste vijf jaar van haar bestaan 72 nieuwe bedrijven voortgebracht. Tachtig procent van die bedrijven hebben samen ongeveer 400 directe en 900 indirecte banen opgeleverd. Gezamenlijk zijn ze goed voor een verkoopomzet van 13 miljoen euro en hebben ze ruim 28 miljoen euro geïnvesteerd vermogen ontvangen via onder andere investeerders, subsidies en prijzengeld.*

Ambitie
Ondanks deze ondernemende houding staat Nederland op de nieuwe wereldwijde ranglijst voor ondernemerschap slechts op de tiende plaats. We zijn een land dat in de subtop van de Champions League meedraait. Hoe kan dat? Met name een nadere beschouwing van het ambitieniveau van Nederlandse ondernemers levert interessante informatie op: uit de Global Entrepreneurship and Development index blijkt dat nieuwe Nederlandse ondernemingen niet snel groeien en ze hun vleugels niet voldoende uitstrekken naar het buitenland.
 

Groei
De groeifase vraagt om een specifieke benadering van bedrijfsfinanciering, huisvesting en personeel- en organisatiebeleid. De TU Delft heeft daarom vorig jaar haar ondernemersbroedplaats uitgebreid met een vierde Centre, het Growth Centre. Hightechbedrijven kunnen nu, als ze de startfase zijn ontgroeid, ook bij YES!Delft terecht. Het ondernemerscentrum van de TU Delft ondersteunt op deze manier alle fasen van ondernemerschap. De hierboven genoemde bedrijven Senz en Epyon zijn inmiddels succesvolle, groeiende bedrijven. Zo heeft Epyon eind 2010 zeven miljoen euro aan kapitaal opgehaald, onder meer bij het Taiwanese Liteon. Daarmee kan het bedrijf een belangrijkere positie in Europa en daarbuiten in gaan nemen. 

Internationaal
Om internationaal te kunnen excelleren, is regionale samenwerking tussen kennisinstellingen, bedrijfsleven en overheden van belang. Als verschillende initiatieven, projecten, beleidsprogramma’s en organisaties in een regio meer met elkaar in verbinding staan, zal een regio economisch sterker worden. Dit maakt het makkelijker om een kennisregio internationaal te profileren, en zo talent, bedrijven, investeerders en klanten aan te trekken. YES!Delft werkt daarom steeds meer samen met regionale initiatieven zoals de science parken van Science Port Holland en de thematische innovatieclusters Medical Delta en Clean Tech Delta     

* Deze cijfers zijn gebaseerd op de periode 2005 – 2009. In 2010 zijn 17 nieuwe bedrijven toegetreden tot YES!Delft. Overige cijfers over 2010 zullen binnenkort beschikbaar zijn.

Lang studeren? Daar moeten wij toch wat langer op studeren

Dit opinieartikel verscheen op vrijdag 21 januari in NRC Handelsblad 

‘Den Haag’ is in de drukdrukdruk-stand. De bordjes van de nieuwe bewindslieden liggen vol. De 18 miljard euro aan bezuinigingen moeten worden ingevuld. Bij te lang wachten kan men in verlopend tij verzeilen. Snel werken is geboden. Alles moet voor de zomer de ministeries uit en de Kamer in.

‘Haastige spoed is zelden goed’ is een Nederlands devies. Het zou bij dit kabinet in goede aarde moeten vallen. Hebt u weleens geprobeerd met een hamer een schroef in een plank te slaan, omdat een schroevendraaier pakken te lang duurt? Zo zal het ook de langstudeerders vergaan. Een bezuiniging is het verkeerde gereedschap om langstuderen tegen te gaan, is omslachtig en onduidelijk en kent ongewenste effecten. Wat is bijvoorbeeld de logica van het beboeten van een instelling wanneer deze voldoet aan de wettelijke plicht om onderwijs en examens aan te bieden aan collegegeld betalende studenten?

Is het nu echt de bedoeling de opleidingen in de bèta- en techniekvakken minder aantrekkelijk te maken door het risico op hogere studielasten te vergroten? Een extra jaar voor een eenjarige master is een beter aanbod dan een extra jaar voor een tweejarige master, zoals bij bèta en techniek, en dat tegen de achtergrond dat de studielast voor bèta en techniek een behoorlijk
stuk hoger ligt. Geef dan tenminste voor bèta en techniek twee jaar ruimte, voor de bachelor- en masterfase tezamen.

Jarenlang zijn we al bezig om jonge mensen te interesseren voor een opleiding in bèta en techniek. Wij hebben hen nodig om ons bedrijfsleven innovatief en concurrerend te houden. Verlies niet uit het oog dat in andere delen van de wereld, Azië voorop, wetenschappelijk onderzoek in volle gang is en een zeer concurrerend bedrijfsleven ontstaat. Denk eens over de zorg voor onze nationale waterstaat. Zou het niet goed zijn als straks tussen al die ingenieurs uit China en India ook nog wat Nederlanders zitten?

Het kabinet gaat snel – een beetje te snel. Wij op de universiteiten snappen ook wel dat de bezuiniging van 18 miljard euro een politieke afspraak is en dat alle sectoren een steentje moeten bijdragen. Dit kabinet wil bezuinigen, wil maatregelen nemen tegen langstuderen en wil ook het hoger onderwijs een kwaliteitsimpuls geven, zoals aanbevolen door de commissie-Veerman, maar het is een veel beter idee om over deze drie onderwerpen in samenhang te beslissen en niet zoals het nu lijkt te gebeuren.

Het is toch de bedoeling dat de opbrengst van de bezuinigingen in het hoger onderwijs opnieuw in die sector wordt geïnvesteerd? Waarom dan die U-bocht van eerst weghalen en dan weer uitdelen? Afbraak gaat snel, opbouw duurt lang. Is het niet veel slimmer om het langstuderen in te passen in een geheel van maatregelen rond toelating, studiebegeleiding, profilering opleidingen, vertrekadvies en prijsdifferentiatie? Dat zijn onderwerpen die bij de uitwerking van ‘Veerman’ aan de orde moeten komen.

Houd het dus bij elkaar. Probeer niet eerst een bezuiniging in te vullen die ook nog eens ten nadele is van bèta en techniek. Haast u langzaam. Pak de bezuiniging, de herinvestering en het langstuderen aan op basis van een doordachte uitwerking van het rapport van Veerman. Als je op de universiteiten wilt bezuinigen, laat dan ten minste de universiteiten zelf bepalen hoe ze dat met zo min mogelijk schade kunnen doen.

Dirk Jan van den Berg is collegevoorzitter van de TU Delft.

Pas op voor ongewenste effecten langstudeerdersregeling

Dit opiniestuk is geschreven door Paul Rullmann, Collegelid van de TU Delft, en Anka Mulder, directeur onderwijs & studentenzaken.  

De regering gaat met financiële middelen paal en perk stellen aan de studieduur. Het is de vraag of langstudeerders nu echt zo duur zijn. Maar als deze regering dit beleid doorvoert –en daar ziet het naar uit – dan is het belangrijk om dat zo te organiseren dat er geen ongewenste bijeffecten ontstaan. Hieronder drie van die mogelijke bijeffecten op een rijtje. 

1. Hoge drempel voor bèta’s.
De regeling dat een student na 1 jaar studievertraging 4800 euro collegegeld gaat betalen (regulier 1800) zal een drempel opwerpen voor vooral technische studies. Die worden door scholieren vaak als moeilijk gezien, en dat is ook terecht: de gemiddelde studieduur in Delft is de op een na hoogste van Nederland en dat komt voor een belangrijk deel door de zwaarte van de studie.

Daarbij: alle studies in Delft duren vijf jaar – drie jaar BSC en twee jaar MSc – in tegenstelling tot vier bij reguliere studies. Een jaar vertraging is dan sneller opgelopen.
De aankomende student heeft de keus tussen een moeilijkere, langere studie in Delft of een kortere, eenvoudigere bij een reguliere universiteit. Dat vraagt wel erg veel motivatie, zeker als je weet dat switchen eigenlijk niet meer kan in dit nieuwe systeem.
Nederland heeft de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in het enthousiasmeren van studenten voor technische studies (platform bètatechniek, Jetnet, Stichting Techniek Promotie e.d.). Door deze hoge boetekans wordt dat werk weer teniet gedaan.
 

2. De kwaliteit onder druk
De kwaliteit van studies in Delft is goed, en het niveau hoog. We durven veel van onze studenten te vragen. Maar kan dat nog in de toekomst? De top 20% zal geen problemen ondervinden, maar je wilt als universiteit dat ook de groep eronder het diploma haalt. Het hele curriculum doorlopen met minder dan een jaar vertraging lukt deze groep niet. Let wel: het gaat om 80% van onze studenten. Daarvoor is vooral meer begeleiding nodig, en dus meer personeel. Het is duidelijk dat dat bij deze bezuinigingen niet kan. Dat zet druk op de hoge kwaliteit die we nastreven. 

3. Ruimte voor ontplooiing
Delftse studenten blijken goed in het ontwikkelen van activiteiten naast de studie. Talrijke studenten zijn betrokken bij projecten zoals de zonneauto Nuna, of zetten succesvol bedrijven op. Het slipperproject Plakkies is een prachtvoorbeeld. Zulke bijzaken zijn voor een ingenieur-in-opleiding heel belangrijk. De natuurwetten kun je in een collegezaal leren, maar dat toepassen in de weerbarstige praktijk met andere mensen is voor velen het moment dat technologie pas echt gaat leven. Ingenieurs die slimme oplossingen verzinnen zijn belangrijk, maar we hebben ook ingenieurs nodig die met die slimme oplossingen anderen kunnen inspireren, die collega’s en andere disciplines enthousiast kunnen krijgen en meeslepen. De arbeidsmarkt is duidelijk: studenten die naast hun studie andere initiatieven hebben ontplooid hebben een stevig streepje voor. Dergelijke initiatieven moeten ook in het nieuwe systeem ruimte blijven krijgen. 

Overigens: omdat ook de universiteit een ‘boete’ krijgt voor langstudeerders, moet de universiteit bij ongewijzigd beleid rekening houden met een korting van 10 miljoen euro. Doordat de TU een groot percentage langstudeerders heeft, zou de regeling de TU Delft naar verhouding hard raken. Dat is zorgelijk, omdat ook de invoering van het Bachelor-Master systeem al onevenredige negatieve consequenties voor de TU had, net als de afschaffing van de financiering van non-EU studenten en de overheveling van 100 miljoen van de vaste rijksbijdrage naar NWO. Daar komt bij dat de Technische Universiteiten veel onderzoek financieren uit de ‘aardgasbaten’ en innovatiesubsidies. Ook die bronnen zullen grotendeels verdwijnen, heeft de regering aangekondigd. Deze opeenstapeling van negatieve financiële gevolgen die vooral de technische universiteiten treft, zet onze universiteit onder financiële druk.  

De komende tijd heeft iedereen een opdracht: studenten, docenten, decanen, college van bestuur. De universiteit moet nog meer werk maken van de ‘studeerbaarheid’ van opleidingen. Daar is al veel gebeurd de afgelopen jaren maar het kan beter. Zeker in de eerste studiejaren moet er meer structuur worden geboden. Studenten moeten zich inzetten vanaf dag 1. Opleidingen moeten zo zijn opgezet, dat studenten in staat zijn om een achterstand tijdig in te halen. De universiteit moet kijken of sommige ontplooiingsactiviteiten in het curriculum gehaald kunnen worden.  

Wij denken dat ook de regering een opdracht heeft, namelijk om een invulling te vinden die studeren haalbaar houdt en die moeilijke bètastudies juist aantrekkelijker maakt. Niet onaantrekkelijker. Daarnaast moet de regering de universiteit de middelen geven om bepaalde ontplooiingsactiviteiten te stimuleren, bijvoorbeeld een project zoals Plakkies, zonder dat de student daar aan het eind een gepeperde rekening voor betaald. 

En de student, die kan nog best een beetje harder studeren. Maar het zou onrechtvaardig en onverantwoord zijn om de rekening van deze bezuiniging EN de verantwoordelijkheid voor de Nederlandse kenniseconomie op zijn of haar schouders te laden.  

Paul Rullmann en Anka Mulder

Over dit onderwerp verscheen in NRC eerder al een opiniestuk van Rob Mudde, onderwijsdirecteur van de faculteit Technische Natuurwetenschappen. Deze is hier terug te lezen.

Jacco Hoekstra, decaan van de faculteit Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek schreef een opiniestuk over de kosten van langstudeerders op de website van de faculteit. Dit stuk is hier te lezen.

 

Laat het probleem van langstudeerders aan de universiteiten

Dit opiniestuk verscheen op 1 december in NRC Handelsblad. De auteur,  Prof.dr. Rob Mudde is directeur onderwijs op de faculteit technische natuurwetenschappen aan de TU Delft.   

Het onderwijs verkeert in zwaar weer. Enerzijds zijn er de niet aflatende financiële druk en de vloed aan veranderingen die vanuit Den Haag over het onderwijs worden uitgestort. Anderzijds is er een aanhoudende stroom van malversaties en onderpresteren die, vaak terecht, de landelijke pers haalt. De kritiek richt zich op InHolland. Leo Prick constateert dat sjoemelen en frauderen inmiddels is doorgesijpeld naar de werkvloer en geeft daar een serie voorbeelden van (NRC Opinie & Debat, 27 november).
Hij beweert dat docenten het moeilijk hebben om hoge eisen te stellen aan studenten, omdat dat leidt tot studievertraging, met nare, financiële gevolgen. Bovendien, stelt hij, ,,een tentamen over laten doen, bezorgt je ook nog eens extra werk". Docenten nemen uit moedeloosheid of gemakzucht genoegen met werkstukken onder de maat.
Deze aantijgingen herken ik in het geheel niet. Integendeel, veel van mijn collega’s zijn juist zeer betrokken bij onze studenten.  

Gisteren brak Karl Dittrich een lans voor langstudeerders, die te hard zouden worden aangepakt als de kabinetsplannen doorgaan (opiniepagina, 29 november). Ook dat herken ik nauwelijks. Dittrich heeft een punt als hij wijst op het nut van brede ontplooiing. Bestuurswerk van de grote studenten- en studieverenigingen neemt een jaar in beslag, een nuttig besteed jaar.
Maar het percentage studenten dat dit doet is klein.
 Het grootste deel van de studenten kan best een tandje sneller studeren.

Dat ligt voor een groot deel aan de vrijblijvendheid die in ons stelsel gebakken zit. Als een student het vereiste aantal studiepunten in het eerste jaar heeft gehaald, is er geen barrière meer: elke student kan dan zo lang blijven als hij wil.  Dat is geen goede zaak. Het zou veel beter zijn als de opleidingen elk jaar voortgang mogen eisen. Of, beter nog: dat ze aansluiting op de masterfase mogen weigeren bij onvoldoende prestaties. Alleen al zo’n dreigement zal wonderen doen.

Dat is veel beter dan boetes voor universiteiten of het laten betalen van de eigen masteropleiding door studenten.  Het is mij een raadsel waarom we accepteren dat mensen in de hele maatschappij prestaties moeten leveren in een vastgesteld tijdvak, behalve onze studerende elite. Natuurlijk horen grote projecten als deelname aan de zonneautorace in Australië bij een brede ontplooiing, maar wat mij betreft stuwen we het niveau van ons onderwijs pas op door echte eisen te stellen. Dat motiveert zowel student als docent. Ik ken geen collega’s die geen tijd vrijmaken voor gemotiveerde studenten. Ik ken geen gemotiveerde studenten die een slap tentamen of een halve opdracht appreciëren.  

Ik stel voor dat het kabinet de boete op lang studeren schrapt, maar dat voortaan elke student elk jaar ten minste driekwart van het aantal studiepunten moet halen. Zo niet, dan is het einde oefening. Dan is elke universitaire bachelorstudent binnen vier jaar klaar. Verder stel ik voor dat de automatische doorstroom naar de masterfase verleden tijd is. Daar komen minimumeisen op te staan. Voor serieuze nevenactiviteiten kan elke universiteit een regeling maken. Bestuursleden van grote studenten- en studieverenigingen kunnen bijvoorbeeld voor een jaar worden vrijgesteld van de onderwijsverplichtingen.  

Ten slotte stel ik een aanwezigheidsplicht voor in het eerste jaar van de bacheloropleidingen. Te vaak zie ik studenten met een onrealistisch beeld van hun eigen doen en laten. Met een aanwezigheidsplicht kunnen we de geschiktheid van een student voor een studie beter beoordelen en voorkomen we ongelukken.  Bovenstaande maatregelen zullen leiden tot versnelling van de studie en verhoging van het niveau.  

De problemen van de schatkist oplossen door langstudeerders te laten betalen, is een oneigenlijke maatregel. Wel dienen we het principe van wederkerigheid toe te passen: studenten krijgen een beurs en hoeven niet veel collegegeld te betalen, en als tegenprestatie studeren ze serieus en op tempo. Ze hebben dan recht op goed, nee, uitstekend onderwijs. Als dat rammelt, hebben we de Inspectie van het Onderwijs om te dreigen met maatregelen. En dan zijn er altijd nog de Leo Pricks om dit aan de orde te stellen.  

Rob Mudde

EU Must Act Fast and Share Knowledge With China

DJ

By DIRK JAN VAN DEN BERG

Dirk Jan van den Berg is President of Delft University of Technology, former chairman of the IDEA League of European Universities, and former Dutch ambassador to China and the UN. This article first appeared in The Wall Street Journal on October 8, 2010.

The fog of diplomacy at Wednesday’s EU-China Summit distracted onlookers from the critical issue facing Europe’s future competitiveness: its ability to remain a global power in innovation.

With the event heavily over-shadowed by tension over Chinese currency policy and bilateral trade imbalances, there were no breakthroughs. Moreover, key issues on the agenda such as Beijing’s reticence to open Chinese state purchasing procedures to European companies; and the EU’s reluctance to recognize China as a "market economy" will not determine the destiny of the European continent anyway—the harnessing and application of knowledge will.

Europe’s future as a world-leading innovation hub is already challenged by the rise of China, and the summit took scant measures to address this and seize what should be a very meaningful partnership. If Europe is to retain its economic pre-eminence, it must act urgently now to "lock-in" much greater science and technology-led business collaboration with China.

The key question is whether Europe’s leaders will seize the moment, or fail to capitalize on this major opportunity to spur economic growth?

The omens are not good. With policy at a roadblock in many European capitals, and much initiative focused upon national rather than international issues, the continent is at an effective standstill except for momentum generated by Brussels, especially through the EU’s 2020 initiative.

It is no exaggeration to say that Europe is facing an innovation emergency as Máire Geoghegan-Quinn, European Commissioner for Research, Innovation and Science, asserted Wednesday. This situation is a potential tragedy as, right now, a "one-time-only" opportunity is arising to move EU-China scientific and technological ties on to a different level. However, this window will last perhaps only 5-10 years before China’s innovation system approaches, and perhaps overtakes, that of Europe. Seizing this historic opportunity, while there still exists mutual bilateral interest, requires a fundamental shift in the scale of European thinking and effort.

Understanding the fleeting nature of this opportunity requires an appreciation of the rapidity of China’s emergence as a science and technology superpower. It is spending some 1.5% of GDP on R & D, twice the rate ten years ago, and may reach the U.S. figure of approximately 2.5% by 2020 (the EU average is about 1.8%). It has also quickly become the world’s second largest producer of scientific knowledge, as measured by the number of research publications.

To be sure, China’s overall scientific position right now is sometimes exaggerated. Concerns rightly persist, for instance, about whether its educational system sufficiently encourages individual creativity (often key in forging scientific breakthroughs), lack of systems thinking, and whether Chinese enterprises are capable of absorbing so much research.

Such issues mean the scale of China’s future achievement is uncertain. But, it is indisputable that we are witnessing the dawn of a new science and technology world order.

Firstly, the era of North American and European scientific dominance is ending, with fundamental implications not just for the global economy but also geopolitics. Secondly, the diffusion of scientific expertise is helping create a globalized commons of knowledge which China’s millions of scientists and engineers are well placed to tap into.

This transformation is, in turn, catalyzing a more collaborative and trans-border model of cooperation which will redefine the R & D world of the 21st century. Already in China there are some 1,200 foreign R & D centres. The key opportunity here for China is to continue moving up the R & D value chain. Its firms will become innovation powerhouses and rivals to European counterparts. We will ignore this at our peril.

How should Europe secure the prize of locking in collaboration with China before our opportunity disappears? Firstly, every link of the innovation chain from research to commercialization must be strengthened, including through the Europe 2020 strategy. We also must give greater urgency to national initiatives to reform R & D and innovation systems.

At this crucial point, however, it will not be enough for national and EU leaders to endlessly debate plans. The time for talking is over. We must act urgently and what is required includes sound, detailed budgeting to facilitate successful implementation.

Europe must capitalize on existing strengths and find synergies between Chinese growth needs, and the potential and objectives of European industry, research and consultancy. Europe’s strengths include exceptionally high quality of research; ability to work in interdisciplinary fashion (which makes research increasingly effective); and a very successful international corporate sector. World-leading specialities include in health with GlaxoSmithKline and AstraZeneca, and food and nutrition with Nestlé and Unilever.

In food and nutrition, there is a need in China for international scientific expertise owing to the need for better production efficiency and quality: food production scale in rural areas is below critical mass, and food quality is not suitable for export. China cannot, as yet, tackle this issue as it lacks a sufficiently robust quality assurance system.

If Europe can raise its game and step up to the historical challenge it confronts, compelling value propositions can also be developed in virtually all fields of science and research, including biotechnology, medical technology, nano-electronics and embedded systems, pharmaceuticals, and creative and design.

The challenges are real, but if we can surmount them, the prizes will be stronger bilateral partnerships; locking in China to world trade and investment rules; and a new foundation stone for sustainable growth.

Will our leaders seize the opportunity, or let it slip?

Geef ons de echte ingenieurs terug

 

Schaberg

Deze column van Johan Schaberg stond in het Economiekatern van NRC Handelsblad van zaterdag 2 oktober 2010, en is hier met toestemming van de auteur geplaatst.

Volgens een onderzoekje van adviesbureau Boer & Croon beginnen veel bedrijven bezwaar te maken tegen de hoge kosten van juridisch advies. Een topadvocaat van een groot kantoor vraagt 514 euro per uur, en dat mag van veel bedrijven best wat minder.

De vergelijking met een andere groep van topprofessionals is veelzeggend. Wie advies van een ingenieursbureau nodig heeft, betaalt voor een partner ongeveer 150 euro. En dan gaat het om vragen die er in de tastbare werkelijkheid toe doen – hoe zwaar moet een dijk zijn om het land droog te houden bijvoorbeeld, of hoe bouw je een elektriciteitscentrale die efficiënt is en veilig?

Er was een tijd dat de belangrijke dingen in dit land door ingenieurs werden bedacht en uitgevoerd. Zij legden kanalen aan en ontwierpen bruggen, spoorlijnen en Deltawerken. In de regering waren zij verantwoordelijk voor de Afsluitdijk (Lely), landbouw (Mansholt, Lardinois, Braks), aanschaf van F-16’s voor de luchtmacht (Vredeling), onderwijs (opnieuw Braks, Ritzen) en zelfs financiën (Vondeling). En zij bestuurden grote bedrijven als Philips, Hoogovens en Shell.

Maar ze zijn verdwenen. In het laatste kabinet-Balkenende zat er één, Eurlings, maar dat is geen echte want die is afgestudeerd in technische bedrijfskunde. Verder waren het politicologen, ex-onderwijsmensen, juristen, historici, economen, twee biologen en, de grootste groep, sociale wetenschappers. Bij elkaar niet echt een groep mensen van wie rekenen het sterkste punt is, en aan wie je de verantwoordelijkheid voor complexe technische projecten zou geven.

Toch zaten zij er, en die projecten dienden zich wel aan. Zou het daardoor komen dat de tunnel in de A2 bij Utrecht weliswaar gereed is, maar niet in gebruik kan worden genomen, de ov-chipkaart met zo veel moeite tot stand kwam en het rekeningrijden al jarenlang een strompelproject is? Zaten er op het hoogste niveau niet de mensen die op grond van vakkennis en technisch inzicht de complexiteit konden overzien enbeheersen?

Het doet zich niet alleen in de publieke sector voor. Ook in het bedrijfsleven zijn de topbanen in handen gekomen van mensen die leiding geven aan anderen die werken – niet van mensen die weten hoe je dingen moet maken. Daarvoor hoeven zij niet te weten wat die anderen precies doen, want zij hebben geleerd voor general management. Inhoud doet er niet toe, alles is proces, en als je een proces effectief ‘aanstuurt’, zoals dat heet, komt het met de inhoud vanzelf goed.

Tunnels en bruggen en complexe ICT-systemen – allemaal moeten ze tot stand komen, niet door goed rekenen, maar door effectieve aansturing. Als dat dan goed gaat, krijgen de aanstuurders een bonus. Als het fout gaat, wordt er natuurlijk een ontslagen, zoals Tony Hayward, de ex- baas van BP na de rampzalige olielekkage in de Golf van Mexico. Uiteindelijk lukte het de ingenieurs het lek te dichten, en die dag schoot de beurswaarde van BP met een paar miljard omhoog. Daar wordt Haywards opvolger straks waarschijnlijk goed voor beloond. Wat de ingenieurs krijgen, is niet bekend.

In mijn directe omgeving waren laatst een Delftse student en een student sociale wetenschappen aan het vergelijken hoeveel ze moesten leren voor drie studiepunten. Voor de laatstgenoemde was dat een werkje over de historische ontwikkeling van de sociologie. De Delftenaar moest zich driehonderd bladzijden techniek eigen maken plus een hoop computerwerk – voor één studiepunt. Ingenieurs hebben een vak, de meeste anderen zijn handig met vaardigheden.

Ooit was er de filosofenschool van de sofisten. Die waren niet uit op de wezenlijke vragen van het ware, het goede en het schone, maar op effectiviteit. ‘Het is goed als het werkt’, was ongeveer hun stelregel, of beter nog: ‘als iedereen gelooft dat het werkt’. Inhoudelijke wijsgeren als Socrates en Plato hadden een enorme hekel aan deze principeloze praatjesmakers, maar de uitkomst was wel dat zij de macht in Athene overnamen en Socrates ter dood werd gebracht.

De nieuwe sofisten zijn de procesaanstuurders, de fusie- en overnamespecialisten en de juristen die daar voor 514 euro per uur contracten bij maken. Allemaal hebben ze rechten gestudeerd of hebben ze een MBA-diploma, maar een schroef recht indraaien kunnen ze niet. Ze hebben ons verteld dat wij geluk, welvaart en aandeelhouderswaarde aan hen te danken hebben. Wij, het goedgelovige publiek, geloven het nog ook, en betalen de schimmenspelers de hoofdprijs.

Minister Eurlings – misschien toch een echte ingenieur – wees vorige week resoluut het voorstel van de hand om de beloning van de directie van spoorwegbeheerder ProRail te verdubbelen. Dat is een staatsbedrijf zonder concurrentie dat ‘s winters veel wissels laat bevriezen. Eurlings was even gaan rekenen en vergelijken, en vond het voorstel buiten proporties. Balkenendenorm en geen cent meer, bromde hij.

Dat was krachtig gesproken, maar oei, dacht ik, wat gebeurt er als de hele ProRail-directie verontwaardigd opstapt? Ze deden het niet, maar waar vind je in de wereld van procesaanstuurders directeuren die bereid zijn voor een schamele 188.000 euro aan de slag te gaan? Tot die uurtarievenvergelijking van advocaten en ingenieurs langskwam.

Voor minder dan eenderde van de prijs van een moderne sofist heb je iemand die weet dat inhoud voor aansturing komt. Die beseft dat stekkers alleen werken als de stopcontacten ook kloppen, en die ervaring heeft met krachten en weerstanden en daarmee kan rekenen. Dan heb je voor 188.000 euro een ingenieur die sterk is op inhoud, waar je anders een half miljoen kwijt zou zijn voor een jurist, bestuurskundige of MBA’er.

Heren (en ook dames!) commissarissen, word wakker, let op uw inkoopgedrag bij de aanschaf van uw volgende topbestuurder. Geef ons de ingenieurs terug. Ze kosten minder en werken zeker net zo goed.

Johan Schaberg

 

© 2011 TU Delft